Tussen de vele beroepen die ik in de bevolkingsregisters voorbij zie komen, valt mijn oog op de beroepen ‘ambtenaar in de strafgevangenis’ en ‘ambtenaar in de gevangenis van de veroordeelde vrouwen’ van Willem Gerard van der Rijp en Lambertus Beijl, die op dezelfde scan staan vermeld (bevolkingsregister 1850-1860, Gouda). In 1611 werd in Gouda in de leegstaande gebouwen van het Sint-Catharinaklooster (vrouwenklooster) aan de Groeneweg een tuchthuis voor mannen en vrouwen gevestigd. In 1837 besloot de toenmalige minister van Justitie dat er aparte gevangenissen moesten komen voor mannelijke en vrouwelijke gedetineerden. De mannen werden elders in het land geplaatst en het Goudse tuchthuis werd een vrouwengevangenis. In de jaren die volgden verbleven er gemiddeld meer dan 300 veroordeelde vrouwen. Daarmee was het de grootste vrouwengevangenis in Nederland. In de volkstelling van 1840 zien we alle namen van gevangenen voorbij komen in het apart aangelegde register ‘gevangenishuis voor veroordeelde vrouwen’. De vrouwen, vaak tussen de 20-35 jaar, hadden zich schuldig gemaakt aan diverse misdrijven: diefstal, moord, valsheid in geschrifte, valsmunterij, brandstichting en meineed.

De leefomstandigheden in de vrouwengevangenis waren uitermate slecht. Er was sprake van overbevolking; de vrouwen sliepen in hangmatten in drie rijen boven elkaar met weinig ruimte en zonder verlichting. Sommigen verbleven er zelfs met hun kinds als dat nog te klein was om van de moeder te scheiden. Daarnaast had men te maken met ongedierte en vanwege de ligging bij een open riool ook met stankoverlast. Het was er ‘s winters zeer koud en in de zomer weer erg warm. In 1847 overleden als gevolg van de hitte 300 gevangenen. Het lichaam van vrouwen zonder een aanwijsbare verblijfplaats of familiebetrekkingen werd beschikbaar gesteld aan de wetenschap. Ook liepen de vrouwen het gevaar geronseld te worden voor prostitutie. In 1837 had de overheid bepaald dat het toezicht in vrouwengevangenissen zoveel mogelijk bij vrouwen moest liggen. In de praktijk waren er echter veel mannelijke bewaarders die ook nog eens onbeperkt toegang hadden tot alle ruimtes.

In de werkzalen van de gevangenis hielden de vrouwen zich bezig met breien, spinnen of naaien. Ook kregen ze soms bezoek van schrijfster Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853), die pionierswerk verrichte op het gebied van gevangenenzorg en de vrouwen bemoedigde en voor las uit godsdienstige en zedelijke boeken. In 1861 werd besloten om de vrouwengevangenis op te heffen omdat het gebouw oud en vervallen was. De vrouwen werden getransporteerd naar de strafgevangenis in Woerden. Na de opheffing kwam op de locatie van de gevangenis een burgerschool voor jongens die na een renovatie in 1925 in gebruik werd genomen door de Casimirschool. Bij opgravingen in 1984 stuitte de archeologische vereniging Golda op muurresten, scherven, plavuizen en skeletten. Dat laatste kon niet nader worden  onderzocht omdat de kisten grotendeels onder de bestrating liggen.

Tijdens het invoeren van de namen uit de bevolkingsregisters in ons Vele Handenproject uit 2020 kwamen we regelmatig opmerkelijke personen of onderwerpen tegen. In deze rubriek lichten we een aantal van deze verhalen uit.

Vrouwengevangenis Groeneweg Gouda